Teksten

Terug naar ’Teksten’...

Dit verhaal werd gepubliceerd in het literaire tijdschrift 42:
Sorry, sorry, sorry!
Zoals iedere morgen draait klokslag half zes de witte pick-up van Frank Budd het erf af van zijn boerderij in Bloemfontein. Naast hem zit zijn jongste dochter, een nakomertje. Laatlammethie is haar koosnaam. Ze heeft haar geboorte ternauwernood overleefd. De behandelende gynaecoloog had het de familie zo voorzichtig mogelijk gezegd. ‘We weten niet, of ze zal blijven leven.’ Maar nu, zeventien jaar later, zit ze naast haar vader, de kleine gestalte nauwelijks zichtbaar en voor het grootste gedeelte verborgen achter het stalen omhulsel van de bolide. Frank Budd, vader van zes kinderen - van wie twee overleden - ziet er vermoeid uit. Hij heeft weer een doorwaakte nacht achter de rug met verwarrende dromen waarin masculiene acrobaten een hoofdrol spelen. Vanuit een dolgedraaid reuzenrad kijken ze hem hoopvol aan, terwijl op de begane grond een koor voordraagt uit de Matthäuspassion. O Mensch, bewein deine Sünde gross. Vader en dochter gaan, zoals iedere dag, op weg naar de woning van Pieter Labuschagne die woont in Naval Hill, een natuurreservaat even buiten de stad. Van Labuschagne wordt gezegd dat hij ijs kan doen smelten, en daarbij gaat het om zijn populariteit onder de vrouwen in Bloemfontein en wijde omstreken, jong en oud. Als de kleine Zola Budd naast hem gaat staan, reikt ze niet eens tot de brede borst waarin het hart klopt dat zoveel mensen in vuur en vlam kan zetten. Budds dochter en de trainer onderhouden een hartelijke relatie die volkomen platonisch van aard is. De Don Juan heeft een bijzondere belofte gedaan. Hij zal van Frank Budds jongste dochter een olympisch kampioene maken. Labuschagne heeft het vorige week gezegd aan de keukentafel bij de maandelijkse besprekingen waarin de vorderingen op de atletiekbaan worden doorgesproken. Hij droeg zoals gebruikelijk in huis pantoffels van kamelenhaar, reusachtige exemplaren die zijn enorme voeten omhullen waarvan je de ogen nauwelijks kan afhouden. Twee zwarte bedienden brengen beurtelings koffie of thee. Zwart is de kleur van de onderdanigheid, wit wijst op distinctie en verstand. Frank Budd begrijpt de redering wel zoals ieder weldenkend mens: door een einde te maken aan de apartheid zal de Zuid-Afrikaanse economie worden verwoest. Dat zeggen de experts, en wie moet je anders geloven dan de experts? Nelson Mandela, een vlaggendrager van het ANC, moet achter slot en grendel blijven van het Robbeneiland. Dat is alleen maar goed voor Zuid-Afrika. Het kruis van de sportboycot dat de sporters uit dit Afrikaanse land tot melaatsen maakt, zal in stilte moeten worden gedragen. Ooit zal de wereld tot inkeer komen. Daarvan zijn de drie aanwezigen in de woning van Labuschagne overtuigd. Maar het is toch misdadig dat Zola Budd haar onvergelijkbare atletische talenten niet aan de wereld mag tonen en veroordeeld is tot Zuid-Afrikaanse aanmoedigingen, hoe luid ook? Haar vader zegt het met een hoofd, rood van opwinding. De plannen, besproken aan de keukentafel in Naval Hill zijn even sluw als simpel. Frank Budd bezit als zoon van een Britse immigrant het staatsburgerschap van het Europese land. Om de atlete op de Olympische Spelen van 1984 te laten uitkomen in naam van Groot-Brittannië is de belangrijkste horde al genomen. Daily Mail, een grote krant wil onder voorwaarde van exclusieve reportages, de overtocht bekostigen en zorg dragen voor de onvermijdelijke bureaucratische handelingen. Haast is geboden. Alleen minderjarigen komen in aanmerking voor een versnelde naturalisatie. Op 26 mei van dit olympische jaar wordt Zola Budd achttien. Ze zal haar verjaardag moeten vieren op Brits grondgebied. Mary Teresa Decker kan een krachtterm niet onderdrukken, als ze hoort dat een Zuid-Afrikaans meisje op een stormachtige januariavond in 1984 haar wereldrecord op de 5000 meter heeft verbeterd: 15.01.83, bijna zeven seconden sneller dan zij was onder veel gunstiger omstandigheden. Ze heeft zelf net een scheiding achter de rug. Het huwelijk met marathonloper Ron Tabb heeft niet langer dan twee jaar stand gehouden. Ze heeft eigenlijk geen tijd om stil te staan bij het verdriet dat ze bij vlagen voelt. Mam noemt het’bewolking in je hoofd’. Maar is het niet zo dat de zon altijd wel weer een keer gaat schijnen? Ronny was een jeugdliefde, een erfenis van de tijd waarin alles haar als vanzelf toekwam, inclusief zeven Amerikaanse records. Als het goedlachse Amerikaanse meisje met de wapperende haren had ze de wereld veroverd. Ze was nog maar veertien, toen ze in Minsk bij de landenwedstrijd tegen de Sovjet-Unie de 800 meter won, bijna letterlijk als een duveltje uit een doosje dook ze voor alle anderen over de finish. Zelfs de Russen vonden het hartveroverend. Maar little Mary was groot geworden met de pijn die nu eenmaal hoort bij het afscheid nemen van de jeugd. Haar vader was met onbekende bestemming vertrokken, toen ze net twaalf was. Zoals alcohol incidenten te pijnlijk voor woorden kan doen vergeten, is de sport een schitterende vluchtheuvel. Met relatief lange benen snelde het 40 kilo ‘zware’ lichtgewicht rechtstreeks naar de voorpagina’s van toonaangevende bladen als Sports Illustrated. Ze had geen tijd om lang na te denken over het vertrek van haar vader, en trouwens: iedereen wilde graag zijn plaats innemen. Bij persconferenties was het kindvrouwtje volkomen vanzelfsprekend het middelpunt van de belangstelling, in het gezelschap van overwegend mannen van dertig jaar en ouder. En zoals alle persconferenties van de hele wereld waren de vragen even voorspelbaar als de antwoorden. Mary Teresa Decker was op weg naar eeuwige olympische roem. Het was alleen maar de vraag, wanneer ze - natuurlijk de rechterhand op een van de ontluikende borstjes waarachter het vaderlandslievende hart klopte - op het ereplatform plaats zou nemen terwijl de Amerikaanse vlag in gepast tempo werd gehesen. Juist die vraag kon ze niet beantwoorden. Alle trainers zeggen het: je moet geduld hebben om het grootste succes te kunnen najagen. In 1976 raakte Mary Decker geblesseerd, ernstig genoeg om de Spelen van Montreal te moeten missen. Tandenknarsend zag ze atletes winnen die ze had verslagen. Geen mens kon op dat moment vermoeden dat Jimmy Carter vier jaar later de aanvoerder zou worden van de boycot die leidde tot de afwezigheid van de Verenigde Staten bij de Olympische Spelen in Moskou. Ze trainde in Eugene, toen het nieuws bekend werd. Ron Tabb, haar eigen Sugar Ronny, die zich geplaatst had voor de olympische marathon, kwam het haar vertellen. Mary Decker stopte niet met lopen, maar ging net zo lang door tot haar kuiten stroef werden van vermoeidheid. De pijn was ondraaglijk. Haar gezicht was nat van de tranen die ze huilde onderweg, de president van de Verenigde Staten in stilte vervloekend. Afghanistan, wie had er goddomme ooit gehoord van Afghanistan en de inval aldaar van het Russische leger. Was het niet misdadig om de Olympische Spelen om die reden te boycotten? Zou de wereld daar echt op vooruit gaan? Het is nu 6 januari 1984. De kleine Mary Teresa Decker is groot geworden. Op onvergetelijke wijze is ze het afgelopen zomerseizoen in Helsinki zowel op de 1500 als de 3000 meter wereldkampioene geworden. Het waren de eerste wereldkampioenschappen in de geschiedenis van de IAAF. Ze is verliefd op Richard Slaney, een Britse discuswerper, bij wie ze onzichtbaar kan zijn. Als hij rechtop gaat staan en zij zich in zijn armen vlijt, zie je haar niet meer, Slaney vanaf de rug bekeken. In 1982 heeft ze zes wereldrecords verbeterd. De Olympische Spelen in Los Angeles zijn in aantocht. Tien jaar na haar sensationele debuut zal Decker krijgen wat haar toekomt: olympisch goud en dat nog wel voor eigen publiek. Gerechtigheid bestaat, ze heeft het altijd geweten. God is goed, en de president zij vergeven. Hoe heette het meisje dat in Stellenbosch haar wereldrecord verbeterde ook alweer?
Voor ze die avond gaat slapen, kijkt Zola Budd in bed schuin omhoog naar de plaats waar de foto hangt van haar idool. Het is de cover van Sports Illustrated waarvan ze alle overbodige fragmenten heeft verwijderd met een schaar. Soms raakt ze de afbeelding aan, precies zoals je met de toppen van je vingers in de kerk het beeld van Maria beroert. Vluchtig, bijna onopgemerkt en vooral devoot. Niemand hoeft eraan te twijfelen dat Mary Teresa Decker haar voorbeeld is, in werkelijkheid onaanraakbaar al was het vanwege de sportboycot. Als ze traint op Naval Hill, altijd alleen in het gezelschap van Pieter Labuschagne, hoeft ze alleen maar het beeld op te roepen van de foto boven haar bed om het tempo te verhogen. Artsen en wetenschappers hebben haar verteld dat ze over een onwaarschijnlijk hoog VO2max beschikte, hoe hoog wilden ze niet eens zeggen omdat het alleen maar kon leiden tot nog meer speculaties en hoge verwachtingen. Budd was misschien nog talentvoller dan haar Amerikaanse evenbeeld. Het heeft natuurlijk niet alleen te maken met trainingen en leven in de ijle lucht van Bloemfontein, een destijds door Nederlandse kolonisten opgerichte voorpost waar bloemen bloeien als fonteinen. Haar lijfje bestaat voor het grootste deel uit benen. Het maakt eigenlijk niet uit dat de hoekige armbeweging de zevenmijlspassen leek tegen te werken in plaats van te ondersteunen. Ze wil graag ontsnappen aan het isolement dat te danken is aan onwetende politici. Geen woord zal ze erover zeggen straks, wanneer ze voor het eerst voet op Britse bodem zet. Maar ze heeft nu al heimwee, alleen bij de gedachte het vertrouwde Bloemfontein te moeten verlaten. Haar vader, op wie ze blind vertrouwt, zegt dat het goed is. Haar grootvader, die ook Frank Budd heette, had de reis immers zestig jaar eerder in omgekeerde richting gemaakt. De Budds zijn globetrotters, voor de duvel niet bang. Alles komt goed. Maar Zola is wel bang. Ze moet Fraaier en Stompie achterlaten. De dieren zijn haar meer waard dan welk record dan ook. Roem kun je niet aaien. Het is de keerzijde van de medaille, een mooie beeldspraak, vindt haar trainer. Pieter heeft het ook gezegd: het is nu of nooit. Naar hem luistert ze nog het liefst. ‘Ik doe het voor hem’, zegt ze fluisterend tegen haar kussen, en terwijl ze, in tranen, schuin omhoog kijkt naar de foto: ‘ik doe het ook voor haar. Stompie en Fraaier moeten me maar achterna reizen, als ik zeker weet dat ik wil blijven.’ Dat voorbehoud wil ze maken : ze gaat terug naar Bloemfontein, als het avontuur alleen maar blijkt te bestaan uit eenzaamheid en deceptie. Op 6 april 1984 wordt Zola Budd geportretteerd met het papieren bewijs dat hoort bij het Britse staatburgerschap. Haar halve bovenlichaam gaat schuil achter certificaat nummer 1078188. Daily Mail brengt het nieuws in chocoladeletters. Zonder bril toont ze nog jonger dan zeventien, en er lijkt een last van haar schouders gegleden. Met de KL 594 zijn zij en haar ouders in de stromende regen geland op Heathrow. Haar trainer is ook overgekomen, samen met zijn vrouw, haar ouders zijn ingetrokken bij haar in de flat in Brook, Hampshire. Achter het grijze wolkendek vermoedt ze de zon. Het zijn vooral Zuid-Afrikaanse journalisten die in de nabije omgeving informeren naar haar verblijfplaats, onder valse voorwendselen. Familie en begeleiding hebben besloten om de pers zoveel mogelijk te mijden. De meeste vragen zijn politiek gericht, een onderwerp waarover ze geen uitspraken wil doen. Heeft ze Afrika verraden, of heeft Europa haar in de armen gesloten? En wat moeten haar Britse concurrentes wel denken van de lichtvoetige immigrante? Politieke activisten proberen haar bij de eerste wedstrijd in Dartford die ze met groot machtsvertoon wint, de voet dwars te zetten. Zola Budd is vanaf het begin een politieke speelbal waar naar hartenlust tegenaan wordt geschopt. Ze vlucht in wat ze het beste kan: zo hard mogelijk lopen, ver voor iedereen uit. Iedereen kijkt naar haar. Achter de beslagen ramen van haar flat zoekt ze de haar zo geliefde anonimiteit.
Mary Teresa Decker bereidt zich voornamelijk in Eugene voor op wat de pijn van de afgelopen jaren moet doen vergeten. Ze weet precies wat Zola Budd doormaakt met alle op haar gerichte schijnwerpers. Je weet niet wat je zeggen moet op al die domme vragen van de journalisten, heel vaak mannen met buiken als ballonnen. Wat weten zij nu eigenlijk van sport? Alle oude koeien worden voor haar zelf in dit olympische jaar weer uit de sloot gehaald. Dat ze in zeven dagen tijd een marathon liep in 3.09, een 400 meter, een 800 meter, een mijl en ook nog een wedstrijd over twee mijl. Dat ze nog maar twaalf jaar was en haar vader net voor het laatst de deur woedend achter zich had dichtgesmeten. En dat ze na die twee mijl met spoed in het ziekenhuis moest worden opgenomen voor een blindedarmoperatie. Allemaal verleden tijd, weer opgerakeld ter gelegenheid van het duel der duels: Zola Budd-Mary Decker. Hoe voel je je? Een atletiekspecialist van de New Orleans Tribune vraagt het na afloop van de Amerikaanse olympische selectiewedstrijden waar ze zich heeft geplaatst voor de 1500 en 3000 meter: hoe voelt het te weten dat je straks te maken krijgt met een replica van kleine Mary, Zuid-Afrikaans van origine? Alsof het over een ding gaat, verdomme. Het gaat je geen kloot aan, denkt ze, met haar suikerspinlach zegt ze natuurlijk iets anders. Ze weet heus wel dat veel collega’s een hekel aan haar hebben. Pure kinnesinne, verklaart haar verloofde, de discuswerper. Eigen schuld, schrijven de kranten, omdat ze er niet voor terugdeinst opdringerige concurrentes tegen de grond te werken, als ze haar letterlijk voor de voeten lopen. En dat ze in een estafette het stokje gebruikt als slaghout om vijandige atletes mee om de oren te slaan. Dat waren toch zeker Russinnen geweest! Wie loopt er hier nu al vanaf haar veertiende vooraan in de wereld? Vertel me dat eens! Laat het publiek maar denken dat alles in haar leven is komen aanwaaien, zoals de twee wereldtitels vorig jaar in Helsinki. Dat de geest sterker is dan haar lichaam weten de specialisten, bij wie ze inmiddels vele malen op de operatietafel lag. Ze meende vanmorgen in de spiegel te zien dat ze dikker was geworden, nòg dikker. Veertig kilo vindt ze het absolute maximum, en het daarbij horende vetpercentage van negen procent. Weet je waar ze gek van wordt? De trainers die maar blijven herhalen dat ze voldoende moet eten en daarnaast vooral ook niet te hard moet trainen. Wie is hier nu de tweevoudig wereldkampioene? Ze vertrouwt alleen op Richard. Als hij zegt dat het goed is, is het goed. Ze haalt diep adem, voordat ze de tunnel inwandelt die leidt naar het Collisseum. En ze moet heel even denken aan die gladiatoren van eeuwen geleden, voordat ze voor de leeuwen werden geworpen om in stukken te worden gescheurd. Ze staat straks alleen in de olympische finale van de 3000 meter. Naast Budd ook oppassen voor Maricica Puica, Roemeense outsider, heeft haar trainer Dick Brown nog op het inloopveld terloops gezegd. Je weet dat jij over het beste eindschot beschikt, daar kan geen ander tegenop. Ach, je hoeft haar niets meer te vertellen. Het is een angstaanjagend geluid: 85.000 mensen die tegelijkertijd je naam roepen, een orkaan van decibellen. Even lachen, Mary, en dan weer terug in je eigen kleine wereld. Nu moet het gebeuren, en het zal gebeuren. Denk aan Moskou, neen toch liever niet. Denk maar aan Richard die je straks omhelzen zal. Loop zoals je altijd loopt. Het kan niet fout gaan, je hebt genoeg tegenslag gehad. Het is vreemd wat je op die momenten van intense spanning kan denken. Heel even ziet ze het gezicht van haar vader die op haar twaalfde uit haar leven wandelde. Zal hij op de tribunes kijken naar zijn kleine meid?
Zola Budd heeft haar in de tent waar je een half uur van tevoren aanwezig moet zijn en veroordeeld bent tot elkaar verlegen toegeknikt. De poster boven haar bed is tot leven gekomen. Ze knapt bijkans van de zenuwen. Hier heeft ze het voor gedaan, het stille Bloemfontein verlaten, veroordeeld als een landverraadster, uitgescholden door wildvreemden voor vuile rascist: White trash go home! Ze denkt aan Stompie, en aait het lieve dier in gedachten. De kanariepiet die ze haar in Groot-Brittannië cadeau hebben gedaan biedt schrale troost. Hier staat Laatlammethie, in de wieg ternauwernood ontsnapt aan de dood. God, wat zou ze graag willen vluchten, ver van hier, het Collisseum waar velen haar echte naam roepen. Zola Budd draagt geen schoenen. Blootsvoets voelt ze zich het meest op haar gemak, zoals de meeste zwarte Afrikanen. Zij is een witte Afrikaan. Alle aanwijzingen van Pieter vliegen als verschikte vogels door haar hoofd, moest ze naast Decker niet op die blonde Roemeens letten, Puica? De knal uit het startpistool heeft de uitwerking van een genadeschot. Ze wordt bevrijd uit haar kleine gevangenis. Het is 10 augustus 1984, de thermometer staat stil op 24 graden. Decker die bedankt heeft voor de 1500 meter doet wat ze het liefste doet en voert op de 3000 meter meteen het tempo aan. Alles verloopt volgens schema, niets aan de hand. Precies voor de hoofdtribune, op 1700 meter veranderen de aanmoedigingen van de duizenden chauvinistische Amerikanen in een kreet van wanhoop. Budd heeft bij het uitkomen van de bocht de leiding overgenomen, Decker reageert alert maar haakt daarbij met een spike in de hiel van haar concurrente die een fractie van een seconde naar nieuw evenwicht moet zoeken, vijf passen later raken de twee kemphanen elkaar opnieuw, maar nu raakt Decker uit balans. Ze wankelt en in een seconde die vertraagt als bij doodsnood zien de toeschouwers hun eigen darling tegen het kunststof smakken. Ze wil onmiddellijk opstaan, zo snel als mogelijk is, maar valt weer terug met een van smart verwrongen gezicht en grijpt daarbij met twee handen naar haar linkerheup, alsof daar het antwoord ligt voor de vraag, hoe deze tragedie kon gebeuren. Even, heel even maar, kijkt Zola Budd vertwijfeld achterom. Alle schrikgodinnen op de Olympus dansen van plezier. Een paar tellen later wordt de langgerekte angstkreet van het publiek vervangen door boegeroep dat door merg en been gaat en bestemd is voor een meisje uit Bloemfontein. Het begeleidend fluitconcert klinkt als knallen van zwepen. Zola Budd huilt, haar lange passen waarmee ze nog steeds de leiding heeft, vertragen. Daar doemt het blonde haar van Puica op. Sneller, steeds sneller loopt de Roemeense van haar weg. In de armen van haar verloofde Richard Slaney huilt kleine Mary de tranen die ze lang heeft opgespaard. Ze schreeuwt haar verdriet uit. In de tunnel die naar de uitgang leidt, betuigt Zola Budd haar medeleven. Sorry, sorry, sorry! Wat moet ze anders zeggen? De woorden vergaan als verdorde judaspenningen op het moment dat ze zijn uitgesproken. Het antwoord van haar idool snijdt door haar ziel. ‘Bemoei je niet met me. Ik wil niet met jou praten.’ Corneli Bürki, een geboren Zuid-Afrikaanse die uitkomt voor Zwitserland neemt het op voor haar gewezen landgenote en zegt dat haar geen blaam treft. Het weerwoord van de ongelukkige Decker echoot lang na in de gang: ‘Wel waar, het was haar schuld! Ik weet het zeker! Ik weet het zeker!’
Frank Budds witte pick-up is vervangen door een opvallend donkerrood exemplaar, als hij zijn erf met gierende banden verlaat. De plaats naast hem wordt niet meer ingenomen door het onzekere tienermeisje dat de wereld had veroverd. Zijn leven ligt aan gruzelementen. Zola heeft hem publiekelijk beschuldigd van oplichting. Hij zou prijzengeld dat haar toekwam hebben geïncasseerd, hem was een paar maanden later de toegang ontzegd bij de huwelijksvoltrekking van zijn jongste dochter met Mike Pieterse, een geslaagde zakenman, eigenaar van drie hotels in Bloemfontein. Die schoftenstreek deed voor hem de deur dicht. Iedere journalist die het horen wilde, had hij het toegeschreeuwd: Voor mij is Zola dood. Vervloekt zij zij en dat ze maar nooit gelukkig mag worden. Hij had het natuurlijk nooit moeten zeggen, en hij dacht aan de woorden van zijn dochter op die vervloekte augustusavond van vijf jaar geleden. Sorry, sorry, sorry! O Mensch, bewein deine Sünde gross. Dat vervloekte schuldgevoel! Het was betrekkelijk goed met hem gegaan. Alle rompslomp die te maken had met het wedstrijdprogramma van zijn beroemde dochter had voor voldoende afleiding gezorgd. Ze werden als vips overal ter wereld verwelkomd en overeenkomstig in de watten gelegd. De tragedie van Los Angeles had uiteindelijk alleen maar gunstig uitgepakt. Iedereen wilde het wraakgodinnetje met eigen ogen zien en ze konden aan startgeld vragen, wat ze wilden. De schijnwerpers hadden ook Frank Budd verlicht. Maar zijn onrustgevoelens waren sedert de breuk met Zola alleen maar toegenomen evenals de daarbij horende verwarrende dromen in de doorwaakte nachten. Zijn geheim was inmiddels uitgelekt: Frank Budd viel meer op mannen dan op vrouwen. Hij kijkt in de spiegel van zijn pick-up en ziet het vermoeide hoofd met alle tekenen van verval dat hij intens is gaan haten. Bijna op hetzelfde moment ziet hij aan de kant van de weg de lifter die hem verwachtingsvol aankijkt, en Frank Budd remt uit alle macht. De jongen heeft prachtige, lieve ogen. Snel schat hij zijn kansen in en weegt die af tegen de eventuele gevaren, maar de glans van de jeugd wint het gemakkelijk. Met een hartelijke lach duwt hij zijn portier aan de passagierszijde open. Waar brengt de reis ons vandaag naartoe?
Als op een zeldzaam warme dag in de vroege zomer van 1996 een auto in een koperrode kleur stopt voor het huis van de familie Slaney, en dochter Ashley twee nors kijkende mannen binnenlaat, weet Mary Decker intuïtief dat er iets verschrikkelijks is gebeurd. De moederrol heeft haar milder gemaakt, ze heeft vaak teruggedacht aan de valpartij van 1984 en de gevolgen daarvan. Ze is gaan geloven in het lot, of liever het noodlot, een kracht die onvermijdelijk is en gestuurd wordt vanaf god mag weten waar vandaan. Van dat noodlot win je het nooit. Achteraf weet ze dat het een ongeluk was in het Collisseum. Twee mensen nemen op precies hetzelfde moment een verkeerde beslissing. Een ongeluk, ja dat was het. Zand erover. Van de duels met Zola Budd, meestal in haar voordeel beslecht, is ze zeker niet armer geworden. Maar alles, alles behalve Richard en hun dochter Ashley zou ze willen ruilen voor olympisch goud. Barcelona 1992 werd een fiasco door lichamelijke malheur, Zola Budd (die daar namens Zuid-Afrika liep) had daar trouwens last van een virusinfectie. Nu, in de zomer van 1996, lijkt het lot haar weer gunstig gezind. Mary Slaney-Decker maakt zich vol goede moed op voor de Olympische Spelen in Atlanta, waar ze zal uitkomen op de 5000 meter. Mary, what the hell did you do? In de manier waarop de official die als eerste de kamer binnenstapt de vraag stelt, ligt het antwoord besloten. De ander vouwt een document open ter grootte van een a-4 waaruit onomstotelijk blijkt dat zij heeft geknoeid met hormoonpreparaten bij de recente olympische kwalificatiewedstrijden. De verhouding testosteron-epitestosteron kan niet eens tot twijfel leiden. Die is veel hoger dan destijds bij het beruchte dopingschandaal van Ben Johnson. Decker zoekt steun bij een dressoir waarop een kolossale foto van haar wk-huldiging, duizelig van emoties die over elkaar heen buitelen. Haar dochter kijkt verschrikt, als ze haar moeder met een stem die ze niet kent hoort stamelen: ‘Ik heb niets fout gedaan, ik weet het zeker! Ik weet het zeker!’ In een flits komt Deckers leven voorbij als bij een ter dood veroordeelde vlak voor diens executie en ze ligt weer hulpeloos in het Collisseum, terwijl een 85.000 koppige angstkreet klinkt. Ze wil dat de onheilsprofeten haar woning verlaten, nu onmiddellijk. Op hetzelfde moment neemt ze zich voor te strijden voor rehabilitatie en niet te rusten voor volledig eerherstel. De wereld zal weten, wie Mary Decker is.
Wie tegenwoordig in Zuid-Afrika gebruik wil maken van het openbaar vervoer, vooral bestemd voor de minder fortuinlijke inwoners van townships, en met name voor de wat langere reizen kan kiezen tussen een ‘Zola Budd’‚ of een ‘Mary Decker’. Het eerste busje is over het algemeen betrouwbaarder èn duurder, bij het andere alternatief moeten de reizigers rekening houden met pech onderweg. Zola Budd, moeder van twee dochters en een zoon, kan wel lachen om het inventieve taalgebruik van de plaatselijke bevolking. In Bloemfontein is een straat naar haar vernoemd. Ze is gelukkig met Mike Pieterse en denkt liever niet meer terug aan de jaren die haar jeugd bedierven. Het lot maakte van haar een politieke speelbal, een paar jaar na de aankomst met de Kl 594 op Heathrow werd de sportboycot van Zuid-Afrika opgeheven. Het behoeft weinig fantasie om je voor te stellen, hoe het zou zijn gegaan met de loopbaan van het kleine meisje uit Bloemfontein met de reuzenpassen, wanneer ze daarop had kunnen wachten. Ze heeft spijt in Los Angeles te zijn gestart, te vroeg achteraf beschouwd, te vroeg in elk geval om te leren leven met de nachtmerrie waarin ze verzeild raakte. Je weet natuurlijk nooit, of er geen andere botsing zou zijn geweest. En dan de dood van haar vader, dood geschoten door een jonge lifter, een paar maanden na haar huwelijksvoltrekking waarbij hem de toegang was ontzegd. Sorry, sorry, sorry! Het heeft heel lang geduurd voordat ze in het reine was met een verleden vol verdriet. Je kunt het noodlot niet ontlopen - daar gelooft ze nu wel heilig in. Mary Decker, idool en rivaal, is in 1999 met terugwerkende kracht voor twee jaar geschorst door de IAAF, de internationale atletiekfederatie wegens vermeend dopinggebruik. Het is haar ook niet meer gelukt om de Spelen van 2000 te halen, op zoek naar rehabilitatie. Dit is zeker: talent en eerzucht alleen zijn niet voldoende om een plaats te bemachtigen op het olympische ereplatform. Zola Budd vraagt zich niet meer af, waarom geluk zo ongelijk verdeeld is in de sport. Sinds kort is hardlopen geen vlucht meer voor haar, maar een natuurlijke behoefte zoals eten, slapen en genegenheid. Ze voelt weer de sensatie die ze voelde als het onbedorven meisje bij wie lopen leek op zweven en dat maar één ding wilde: met rust gelaten worden. Ze voelt vrijheid, ze is eindelijk vrij.
Bronnen: Zola, the official biography (Brian Vine), Sports Illustrated (diverse nummers), Sport International, de Volkskrant, The Compete Book of the Olympics (David Wallechinsky).
Kees Kooman

Terug naar ’Teksten’...


|