Tijd heelt niet alle wonden

In het bantamgewicht, de klasse tot 53 kilo, kende Ricus Teters in Nederland zijn gelijke niet. In zijn bizarre voorbereiding op de Olympische Spelen van 1956 werd hij drie jaar achtereen nationaal bokskampioen. Voordat hij de boot pakte naar Australië, kwam hij drie keer met succes internationaal in actie. In het olympische jaar bleef hij ook in Nederland ongeslagen. Om verzekerd te zijn van een startbewijs in Melbourne en het Nederlands Olympisch Comité mild te stemmen besloot de 23-jarige bokser zijn reis zelf te bekostigen. Tevergeefs. Vijftig jaar later volgt rehabilitatie.

Dààr, op de voorplecht van vrachtschip Tampomas staan Ricus Teters en Wim de Vreng. Ze zien bij Hoek van Holland de contouren van de Nederlandse kust langzaam vervagen. Het zijn niet alleen gezworen kameraden, maar ook sportlieden van olympische allure. Het is 1956, hoogzomer, en de twee Amsterdammers zijn vastbesloten mee te doen aan de Olympische Spelen in Melbourne. Dit schip brengt hen naar Djakarta, waar ze over ongeveer een maand zullen arriveren. Hoe en waar zij in Australië zullen aanmeren - dat is van later zorg.
Ricus Teters is 23 jaar eerder geboren in de Amsterdamse Warmoesstraat, hij is de vijfde op rij van 13 kinderen, en wat voor een. Als bokser rekent hij zich tot de besten van Europa in het bantamgewicht. Het komt goed uit dat Wim de Vreng, uitblinker op de 100 meter vrije slag, ook een blauwe maandag lid is geweest van de boksschool van Dick Groothuis. Nu heeft hij tenminste een kans om op volle zee te trainen, al is zijn veel grotere vriend dan geen partij voor hem. Een beetje schijnvechten kan altijd. De Vreng zelf moet zich een maand behelpen met lenigheidsoefeningen, Zweedse gymnastiek genaamd. Hij kan zich moeilijk wagen naast de Tampomas in de Grote Oceaan. In ruil voor de gratis overtocht werken de Nederlandse avonturiers aan boord, ze kunnen strijken, schoonmaken, wassen, koken, ja wat kunnen ze eigenlijk niet?
Ze hebben nog, met andere Nederlandse topsporters, gecollecteerd om de dure overtocht naar Australië (een vliegticket kostte een gemiddeld jaarinkomen van een arbeider) voor zoveel mogelijk landgenoten mogelijk te maken. De kans dat De Vreng en Teters zelf mogen meedoen is klein, ondanks de aanbevelingsbrief van de bond die de bokser koestert als een relikwie. De zwemmer moet, bij aankomst in Australië, nog voldoen aan een onmogelijke limiet. Maar deze twee bloemen der natie geloven heilig in hun dromen. Een beetje naïef misschien, maar ze denken meer kans op meedoen te maken door de reis voor eigen rekening te nemen.
Eenmaal op de vaste wal van Indonesië maakt Teters van de gelegenheid gebruik te boksen tegen een plaatselijke held. Zijn overwinningspremie bestaat uit twee batikhemden, het kostte hem bijna (zo verneemt hij achteraf) zijn zo gekoesterde, olympische, amateurstatus.
De twee avonturiers vinden transport per schip naar Australië, spreken daarbij hun laatste spaarcentjes aan, en de 500 gulden die een meelevende meubelhandelaar op de Nieuwendijk vlak voor vertrek had toegestopt, maar stuiten bij aankomst in het beloofde land op een nieuwe horde. Hoe overbruggen ze de 3800 kilometer die de haven van Freemantel scheidt van Melbourne?
Liftend belanden ze in de laadruimte van een vrachtauto die wagens transporteert naar de andere kant van het onmetelijke werelddeel. Ze passeren landerijen, vier keer groter dan de provincie Utrecht, boeren moeten toestemming geven en persoonlijk hekken openen voor een vrije doorgang. Overdag is het bloedheet, klimt de temperatuur gemakkelijk tot boven de 30 graden, en ’s nachts vriest het. De vrienden, gezonde Hollandse jongens, slapen zo dicht mogelijk tegen elkaar, met zoveel mogelijk kleding aan. Als het echt te koud wordt, gaan ze in het holst van de nacht een stukje hardlopen in de woestijn.
Na acht dagen komen ze aan in de plaats die de hoofdrol heeft vervuld in hun dromen. Ze vinden werk bij meneer Jansen, een tapijthandelaar met wie ze voor de wereldreis contact hadden gelegd, en die praktijk houdt in een voorstad op 80 kilometer van Melbourne. Voor een weekloon van 84 gulden brengen ze de tapijten op maat, voordat die naar de klanten worden getransporteerd. Zwaar werk dat ze overdag verrichten om ’s avonds te kunnen trainen. Ricus Teters vindt onderdak in de school van Ambrose Palmer, een voormalige prof die erg onder de indruk is van zijn tijdelijke pupil. Hij zegt het onbegrijpelijk te vinden dat in Nederland getwijfeld wordt aan diens olympische kansen.
De Nederlandse journalistiek neemt het intussen massaal op voor de twee waaghalzen. Kick Geudeker opent in een hoofdartikel van Sport en Sportwereld een aanval op het NOC. Dat doet hij aan de hand van Teters’ prestatielijst: Nederlands kampioen in 1954, ’55 en ’56, dertien overwinningen in zeventien partijen, waaronder die op de Duitser Lehmann, wel aanwezig in Melbourne. ‘Teters’, zo schrijft hij, ‘staat daar thans in Melbourne met een hart vol bitterheid, misschien nog met een glimp van hoop op een kans die het halsstarrige NOC hem echter weigert te geven.’ Hij beschuldigt de keuzeheren van ‘grove onrechtvaardigheid’ en eindigt zijn aanklacht met kapitale letters en drie uitroeptekens: GEEF HEM EEN KANS!!!
De Vreng en Teters werken onvermoeibaar verder aan een droom die in duigen dreigt te vallen. Het grootste deel van hun salaris gaat op aan kostgeld en reiskosten voor de trein. ”Want voor niets gaat de zon op. Dat weet je wel en dat is overal op de wereld hetzelfde”, zegt de bokser 50 jaar later, meer berustend dan gefrustreerd. Ze lopen ook nog de kleine Nederlandse atletiekploeg die per vliegtuig ruimschoots op tijd is gearriveerd om goed te kunnen profiteren van het milde klimaat, tegen het lijf. Dat gebeurt in Joliette, een ‘Dutch Restaurant’ aan de Swanston Street. Met meneer Jansen toosten ze symbolisch op afstand met de officiële Olympiërs die hen, zoals Teters het uitdrukt ‘nog niet met de kont’ wil aankijken vanaf een ander tafeltje. Alleen verspringer Henk Visser geeft ze later een hand, en vraagt hoe het met ze gaat. De olympische chef d’equipe Wim van Zijll kan na een halve eeuw nog steeds niet op Amsterdamse vergevingsgezindheid rekenen. ”Het was ook de zogenaamde boksspecialist bij het NOC die had bepaald dat ik niet goed genoeg was voor de Olympische Spelen.”
Niemand wist nog, bij die vreemde ontmoeting in Joliette, dat een paar dagen later in Nederland zou worden besloten tot een algehele boycot als protest tegen de inval van Rusland in Hongarije. Het NOC zou daarmee in Europa de uitvinder worden van de sportboycot, een bedenkelijke eer des te navranter omdat Rusland en Hongarije zelf in Melbourne zouden uitgroeien tot zeer succesvolle ploegen. Of de druiven er iets minder zuur door werden voor Ricus Teters, want die vermaledijde atleten waren nu immers ook voor Jan met de korte achternaam afgereisd? Eerlijk gezegd hebben hij en De Vreng enig leedvermaak niet kunnen voorkomen, al maakte die snel plaats voor mateloze ergernis, toen ze de Russen en Hongaren wel in levende lijve zagen excelleren op het allerhoogste olympische niveau. Sport en Nederland, het waren in de vijftiger en zestiger jaren Jut en Jul in de Moulin Rouge.
Nadat de atleten op de dag van de openingsceremonie per vliegtuig met de staart tussen hun benen waren vertrokken, kostte het de twee bitter teleurgestelde avonturiers veel moeite geschikt vervoer te vinden voor de lange terugreis over zee. Ze werkten eerst nog in de spuiterij van een Volkswagenfabriek, ’s nachts, gehuld in rubberen overalls en een stofkap voor het gezicht. Hun voedsel bestond voornamelijk uit verse ananas. Teters en De Vreng monsterden aan op de Castor, een Noors schip dat op 29 november 1956 vertrok om pas drie maanden later in Amsterdam aan te meren. Door politieke spanningen was het Suezkanaal afgesloten. Politiek - Ricus Teters kan het woord niet meer uitspreken.
In het vroege voorjaar van 1957 bereidt bokstrainer Dick Groothuis de verdiende heldenontvangst voor. Teters en De Vreng, donkerbruin verbrand en in het bezit van een baard om u tegen te zeggen, krijgen een medaille waarop de olympische ringen gegraveerd zijn. De bokser, moe van alle publiciteit, zoekt al snel de eenzaamheid van het Vondelpark om er te gaan hardlopen, een bezigheid nog lang niet zo populair als tegenwoordig. De twee sportlieden geven hun sportieve aspiraties bijna onmiddellijk op. Ricus Peters die vast van plan was om te emigreren naar Australië, al voldaan had aan alle hoge eisen, vindt in 1960 rust bij Adrie, een fotomodel met wie hij in 2006 nog steeds het leven deelt. In Amsterdam. Op de zevende verdieping van een appartementencomplex scheren vliegtuigen schijnbaar rakelings over, onderweg van of naar Schiphol, en misschien wel naar Melbourne.
Of hij nog wat geleerd heeft van zijn vasthoudende gedrag die leidde tot een vergeefse wereldreis? Teters hoeft als 72-jarige levensgenieter niet lang na te denken voor een antwoord. ”Je krijgt er een andere levensinstelling van. Ik praat helemaal voor mezelf, maar ik heb vroeg geleerd dat iedereen alleen maar bezig is voor zichzelf. Ieder voor zich en god voor ons allen. En dan moet je weten dat ik een overtuigd atheist ben.”
Op 27 juni 2006 behoort hij tot de genodigden die op initiatief van NOC-voorzitter Erika Terpstra in het Olympisch Stadion aanwezig zijn bij de reünie van 1956. De rondborstige official spreekt woorden van spijt en verzoening. Het had nooit mogen gebeuren: de boycot van Melbourne. Ricus Teters legt haar speech uit als blijk van rehabilitatie. Voor Wim de Vreng, die op zijn vijftigste verongelukte bij Vinkeveen, komt het eerherstel veel te laat. Tot opluchting van de voormalige bokser ontbreken alle atleten die hem een halve eeuw geleden hebben genegeerd. Hij zou ze zeer beslist – dat heeft hij vooraf diverse keren herhaald – geen hand hebben gegeven. Dat tijd alle wonden zou heten, moet je hem maar niet proberen wijs te maken.
Kees Kooman

Dit verhaal verscheen in NRC Handelsblad


Kees Kooman • Tibsterwei 15 • 9131 EH Ee • keekoo@planet.nl