Teksten
JE BENT AUTHENTIEK ALS JE NIET TEGEN JEZELF HOEFT TE LIEGEN ‘Natuurlijk heb ik in mijn leven wel eens gelogen, al was het alleen om bestwil. Ik zou niet eens weten wanneer, waarschijnlijk in de liefde. Ik ben te spraakzaam en teveel geneigd tot openheid om goed te kunnen liegen.’ Jort Kelder, gezicht van Friesland Bank in tv-commercials, vecht voor onafhankelijkheid in ‘zijn hoofd’, wil nergens bijhoren. ‘In die zin is mijn naam verbinden aan een bankje een enorme stap.’ (Dit verhaal verscheen eerder dit jaar in het Corporate Jaarverslag van Friesland Bank) Jort Kelder koestert een bijna grenzenloze fascinatie voor bandeloos levende mensen. Dictators of flessentrekkers, kunstenaars in geldzaken. ‘We leven in een overgeorganiseerde samenleving, waarin alles keurig is geregeld. Van de wieg tot het graf. Graag wel ervoor zorgen dat je op tijd je kist ingaat. Heel weinig mensen zijn in staat uit te breken. De uitzonderingen, hoe bandeloos vaak ook, zijn altijd recalcitrant. Daarom hebben ze een heel sterke persoonlijkheid naast zich nodig die tijdig zegt: dat gaan wij niet doen. Als iemand als Scheringa die rechterhand had gehad, was hij misschien nog steeds bankdirecteur geweest.’ Zelf is dit boegbeeld van de nieuwe adel waarin een erfelijke titel plaats heeft gemaakt voor het etiket ‘Bekende Nederlander’ (vaak ongevraagd) het tegenovergestelde van wat hij een despoot noemt. Dat geldt ook voor zijn imago. ‘Een eikel in een krijtstreeppak. Arrogant, aardappel in zijn keel. Haat arme mensen. Allemaal onzin, totale onzin.’ De rappe tong, waarmee hij een fijn belegde boterham verdient, heeft hij te danken aan een vrije opvoeding en natuurlijk vooral een goedgevulde hersenpan, veelal genetisch bepaald. ‘Mijn overgrootvader, een diamantslijper, was zo rood dat hij met zijn eigen arbeiders ging meestaken. Er is een foto waarop hij op de schoot zit bij oprichters van de socialistische beweging. De familie Kelder is de sociaal-democratische droom: een opgewerkte arbeidersfamilie.’
De opa van Jort Kelder was een autoritaire man, even rood als radicaal. ‘Mijn vader lijkt op hem, en ik lijk weer op mijn vader. De hele familie is wel opgeschoven naar de liberale kant. Ik ben zelf in staat om heel radicaal ruzie te maken, een streep te trekken: tot hier en niet verder.’ Betekent het ook dat je authentiek bent? ‘We zijn natuurlijk allemaal een product van culturele en genetische invloeden. Je bent volgens mij authentiek, als je niet tegen jezelf hoeft te liegen. Als je niet hoeft te leven in de leugen die we graag voor elkaar optuigen. Wanneer je alles kunt navertellen zonder jezelf te generen. Natuurlijk heb ik in mijn leven wel eens gelogen, al was het alleen om bestwil. Ik zou niet eens weten wanneer, waarschijnlijk in de liefde. Ik ben te spraakzaam en teveel geneigd tot openheid om goed te kunnen liegen. Dat houd ik helemaal niet vol. Ik ben trouwens ook te dom om alles te onthouden.’ Hij zegt alle fouten te hebben gemaakt die je maar kunt maken in zijn positie, misschien begeerlijk op het eerste oog. Maar het fotogenieke hoofd met de rappe tong wordt van harte afgehakt, als je niet oppast. ‘Als hoofdredacteur van Quote ben ik doorgebroken als antropoloog van de rijken met het profiel van kapitalistenvriendje. Ik zag er intussen niet uit als de traditionele journalist met het muffige jasje en het ongeschoren hoofd. Eigenlijk straalde ik dus alles uit wat door de media meestal wordt gehaat. Inmiddels kwamen er af en toe ook nog aardige volzinnen uit, waardoor ik betrekkelijk veel werd geïnterviewd. Nu doe ik dat niet of nauwelijks meer, omdat mijn privé-leven zo’n ding is geworden en ik vind dat het niemand iets aangaat.’
Ook al beseft hij zelf als programmamaker afhankelijk te zijn van mensen die zich door hem wel laten uithoren. ‘Ik weet het: het is heel hypocriet. Matthijs (van Nieuwkerk) doet het ook nooit meer. Maar op een gegeven moment ben je uitgepraat, laten we zeggen: dood geïnterviewd. Een gesprek van tien minuten wordt ook vaak teruggebracht tot één zin, nog meestal krom geschreven ook.’ De jonge Jort deed aan alle mogelijke sporten en heeft gedroomd van een opleiding aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Hij tennist nog steeds. Altijd competitief gebleven. Dat hij de journalistiek zou ingaan, bleek al vroeg. ‘Op mijn achtste las ik al NRC Handelsblad, ik was altijd zeer politiek geïnteresseerd. De economiepagina’s sloeg ik ook niet over. Ik was de jongste van een jongensgezin, waarbij het aan tafel altijd ergens over ging. Met aan het hoofdeinde wat ik nu een prettig autoritaire vader zou willen noemen. Hij was oorspronkelijk zeeman, voer als officier op de koopvaardij, kosmopoliet die de blik richtte op de wereld. Was soms onafgebroken anderhalf jaar van huis. Aan zijn hand ging ik mee als jongen, wanneer Joop den Uyl de kleiige, zompige polders aandeed voor een congres van de PvdA. Waarin ik dan de ongestelde vraag stelde die de meeste aanwezigen op de kast joeg. Recalcitrant ja, en ook anti-autoritair. Wij zijn tegen macht, niet tegen gezag.’
Of de liberale geest van de zestiger en zeventiger jaren meer kapot heeft gemaakt dan een oprechte democraat lief zou moeten zijn? ‘Wie weet was ik zelf wel Provo geworden, ik heb altijd aan de kant van de opstandelingen gestaan. Maar de beweging heeft achteraf mede geleid tot een vlakke, genivelleerde samenleving met veel populistisch geblaat. Blijf met je fikken van kennis en kunde!’ Je maakt niet vanzelfsprekend gebruik van de macht van het woord, zo wil Jort Kelder eraan toevoegen. ‘Ik schop alleen maar naar boven, nooit naar beneden. In mijn eerste tv-programma’s heb ik me weleens verscholen achter cynisme als bewapening. Veel journalisten doen dat. Cynisme is altijd gemakkelijk, enthousiasme is veel ingewikkelder. De knipoog die je wilt maken, valt bijna altijd weg.’ ‘Ik pak dus nooit de zwakkere, altijd de sterkste. Bij een optreden in het imposante Carré begon een toeschouwer me uit te schelden. Die krijgt dan een majeur bijrol in de show. Leuk, nooit zuur. Het is mijn ervaring dat die ‘schelders’ alleen maar aandacht willen. Ik ben weleens met de dood bedreigd. Ga je in op de ‘uitnodiging’ dan blijkt dat ze een vriend voor het leven willen.... Wat moet je ermee? Tegendraads ben ik van nature. Ik onderga een bijna fysieke onpasselijkheid op grote bedrijven en kantoren. Ik houd niet van de hiërarchie van structuur. Misschien is het heel kinderachtig, maar het maakt je bij uitstek geschikt voor de journalistiek. Ik wil niet bewust ongrijpbaar zijn, een toneelstukje opvoeren. Het is heerlijk om onafhankelijk te kunnen zijn in je hoofd, nergens lid van zijn, nergens bij willen horen.’
Pas op, juist die onafhankelijkheid maakt zijn optreden in commercials voor de Friesland Bank zo bijzonder. Zijn flirt heeft, zo zegt hij, veel te maken met het vertrek van een directeur in het verleden die het gewaagd had om fusiebesprekingen te openen met een concurrerende, grotere bank. ‘Kijk, dat vind ik nu mooi: de op het oog stugge ‘boeren’ in de Raad van Commissarissen die een dergelijke plan voorkwamen. Het is voor mij een enorme stap om mijn naam te verbinden aan een bankje, waarvan iedereen zal zeggen: hij doet het alleen maar voor het geld. Meerdere keren ben ik gevraagd door andere grootbanken. Nooit een moment getwijfeld om ja te zeggen. Ik was klant van de Friesland Bank en zoals een reclamejongen ooit tegen me zei: die Friezen zijn eigenlijk te onhandig om de zaak te belazeren.’ Kiezen voor de weg van de minste weerstand zit niet in zijn systeem. ‘Complimenten brengen je in de comfortzone. Ze brengen verwende prinsen en prinsesjes voort die zichzelf geweldig vinden, omdat ze thuis nooit anders hebben gehoord. Ik ben blij om mijn Spartaanse opvoeding.’ Ha, maar dat wil nog niet zeggen dat Jort (naam die hoort bij eilandbewoners van Terschelling) Kelder decadentie een verboden woord acht. Integendeel. ‘Ik heb decadente trekjes die vooral te maken hebben met privacy. Binnenkort reis ik met mijn nieuwe liefde naar een eiland waar je alleen kunt komen met een privévliegtuigje. Ik hoef geen patserige hotels met gouden kranen in de badkamer. Weg van het massale. Alleen met je meisje in de stilte. Dat is ware luxe.’ ‘Volgens mij is niets erger dan eenzaam oud worden en tegelijkertijd eenzaam rijk zijn. Als je niet kunt delen, heb je geen donder aan rijkdom.’ Kelder haast zich hierbij aan te tekenen dat hij welvarend is, niet rijk. Maar welvarend genoeg om in dure auto’s te rijden die met jaloerse blikken worden nagestaard. ‘Morgen rijd ik een rondje in een groene Ferrari California die automatisch afslaat bij het stoplicht. Even lief verplaats ik me in mijn oude Jaguar E Type. Het is pure kunst om die rijdend te houden. Waarom vind ik die dingen leuk? Eigenlijk vind ik het zwak en geneer ik me voor wat ik mijn kleine jongetjesgedrag noem.’ Dan maar een fout imago, het masker van de arrogantie. Het grote publiek weet wel beter, denkt hij. Hoopt hij. ‘Televisie haalt het meest extreme uit een karakter. Het is een meedogenloos medium. De meeste kijkers voelen met een bijna dierlijke intuïtie aan wat goed is en wat fout. Ik ben dus juist niet keihard, en wel heel emotioneel. In het echt ben ik veel aardiger en empathischer.’ Laat, zo zegt Jort Kelder, de Friesland Bank net als hij een dwarsligger zijn en zich zodanig profileren. ‘Juist niet met maatpakken rondlopen. Uitstralen: Dit is de bank die u niet belazert. Slechte producten de deur uit doen. En tegen de toezichthouders zeggen dat ze nu eens moeten ophouden met opleggen van allerlei onmogelijke regels. Durf te zeggen: hier stoppen we mee, gooit u ons eerlijke bankiers desnoods de gevangenis in.’
KEES KOOMAN
Interview Marleen Veldhuis: Shanghai is het decor van de wereldkampioenschappen zwemmen. Voor het corporate jaarverslag 2011 van de Friesland Bank sprak ik onlangs met Marleen Veldhuis, een van de Nederlandse toppers die aan de start verschijnen.
OOIT DENK JE MET WEEMOED TERUG AAN HOOGSPANNING ‘Ik was ongeveer op de helft van een lange duurtraining, dacht heel even: hoe haal ik de finish. Maar 200 meter later sprak ik mezelf toe dat pijn voor mij toch wel een andere dimensie had gekregen.’
Op weg naar de Olympische Spelen van 2012 telt voor de jonge moeder Marleen Veldhuis (31) maar één ding: het resultaat. Ze verdedigt in Londen o.a. de zwemtitel op de 4 x 100 meter vrije slag. Hard zijn, vooral voor jezelf. ‘Maar ik leid een hartstikke leuk leven.’
Over resultaat denk je helemaal niet na als topsporter. Althans, het geldt voor olympisch kampioene en veelvoudig recordhoudster Marleen Veldhuis. Je leven staat wel geheel in het teken van de prestatie. Nu, minder al dan anderhalf jaar voor de Olympische Spelen van Londen, heeft ze op een veilige plek in haar hoofd, het doel waarnaar ze streeft, opgeborgen. En neen, alleen maar een plek in de finale zal niet voldoende zijn. Wees daar zeker van. Onderweg naar wat hopelijk het ereplatform zal zijn doet ze alles voor het optimale resultaat om er inmiddels zo weinig mogelijk bij na te denken. Zo eenvoudig kan het leven zijn. Het leven van Marleen Veldhuis is sedert juni vorig jaar ingrijpend veranderd met de komst van de kleine Hannah, zeer gewenst, laat dat vooropstaan. ‘Bij een bevalling gebeurt er niet alleen lichamelijk veel, maar ook mentaal. Ik ben een nogal stabiel persoon, maar van het een op het andere moment is alles anders. Ze was ’s middags om half drie geboren en dan constateer je een paar uur later dat je plotseling met drie mensen woont onder hetzelfde dak. Ik wist niet eens hoe je een luier moest verschonen. En wat moet je doen als ze begint te huilen? Help!’ Ze had zich voorbereid door een boekje te lezen over de consequenties van het moederschap, maar daarin las ze in haar ogen alleen maar rare gebruiksaanwijzingen. En braaf aan zwangerschapgymnastiek meedoen in een klasje was wel het laatste dat ze wilde. ‘Je hoeft mij als zwemster niet te leren hoe om te gaan met ademhaling. Fit was ik meer dan voldoende en samen met de fysiotherapeut heb ik ter voorbereiding wat extra stabiliteitsoefeningen gedaan. Dat moest genoeg zijn.’
Tot twee dagen voor de komst van het nieuwe familielid was ze blijven zwemmen, of zoals ze het zelf zegt ‘blijven dobberen’. De kampioene had wel gehoord dat een bevalling niet bepaald vergeleken kon worden met een belangrijke wedstrijd, laat staan met trainen. Zelfs lang duurwerk, zoals drie kilometer (60 baantjes van 50 meter) is daarbij vergeleken een fluitje van een cent. ‘Ik had nog tegen Ranomi (Kromowidjojo, een andere Nederlandse wereldtopper met wie ze samen traint in Eindhoven) gezegd: het moet toch goed te doen zijn, als je weet welke pijn we soms moeten verdragen bij zware trainingen.’ Op die uitspraak moet ze bij nader inzien terugkomen, alhoewel de aanwezige deskundigen op de onvergetelijke zomerdag van 2010 verzekerden dat er sprake was geweest van een hele vlotte bevalling. We schrijven eind maart 2011, ongeveer een half jaar na haar rentree als trainings’beest’. Marleen Veldhuis is nog niet terug op het niveau van laten we zeggen de wereldkampioenschappen van 2007, Melbourne. Daar veroverde ze o.a. zilver op de 100 meter vrije slag, het koningsnummer van de zwemsport. Dat is het beste toernooi uit haar loopbaan, zegt ze na enige aarzeling. Ze is niet iemand van grote woorden. Schrikt er zelfs een beetje voor terug om te verwijzen naar een training, waarin ze zich min of meer liet motiveren door gedachte aan de geboorte van haar dochter. ‘Ik was ongeveer op de helft van een lange duurtraining, dacht heel even: hoe haal ik de finish. Maar 200 meter later sprak ik mezelf toe dat pijn voor mij toch wel een andere dimensie had gekregen. En ik zwom gewoon een stuk harder.’
Marleen Veldhuis is de oudste van een gezin van zes kinderen, waar het woord ‘resultaat’ met een hoofdletter wordt geschreven. Een van haar vier zussen maakt deel uit van de olympische waterpoloselectie die in Londen de titel verdedigt. Haar vader fietst fanatiek. Fysiek, zegt ze, veel overeenkomsten te zien met haar moeder, een rijzige verschijning, opgegroeid in de Zeeuwse polder als dochter van een landarbeider. Graag had ze ook de spanning meegemaakt die een topsporter moet voelen vlak voordat het uur U slaat. Maar ja, nergens in de wijde omgeving een sportaccommodatie te verkennen. Aan de jonge moeder hoef je niet uit te leggen, waarom topsport een magische aantrekkingkracht kan hebben. Zo komt ze op de vreemdste vraag die wat haar betreft gesteld kan worden aan kampioenen, zodra ze kiezen voor het leven van de gemiddelde huisvrouw. ‘Als ze gestopt zijn, krijgen ze de vraag: en nu ga je zeker alleen nog maar leuke dingen doen? Dat begrijp ik niet. Want ik leid namelijk een heel leuk leven. Ik hoef sowieso niet iedere week in een discotheek rond te hangen. Ik vind ook niet dat ik iets mis. Wat zou ik missen?’ Heel misschien de spanning zo vlak voor een allesbeslissende finale als op Olympische Spelen. Ervaringsdeskundigen kennen dat gevoel: de vlinders ter hoogte van de navel die ook horen bij hevige verliefdheid. Oké, zo moet de hoofdrolspeler van dit verhaal toegeven, het is waar: dat zijn niet de fijnste momenten. ‘Er gaat van alles door je hoofd, en eigenlijk ook weer niets. Ik ben sowieso een denker. Ik weet precies wat je bedoelt met die vlinders. Je voelt ze de hele dag voor een belangrijke finale. Maar ik ben er zeker van dat je er ooit, waarschijnlijk op je tachtigste, met enige weemoed aan terug zult denken.’
Laten we eerlijk zijn: het resultaat, waaraan je dus zo min mogelijk moet denken in de visie van Marleen Veldhuis, kan met je op de loop gaan in je onderbewustzijn. Daar helpt geen moedertje lief aan, of grote routine. Adrenaline moet trouwens voor het beste resultaat. Dat weet ook iedere deskundige. Maar je went nooit aan de voorafgaande onrustige nachten met soms van die rare dromen, waarop niets meer lukt, zelfs het aantrekken van je badpak niet. Of de vlinderslag, een van haar specialiteiten, gaat lijken op vliegen meppen. Dat wil je niet, maar toch. ‘Ik heb weleens van een deskundige gehoord dat een tijdje wat minder goed slapen helemaal geen effect heeft op je anaërobe (presteren onder zuurstofschuld) prestaties. Zelden heeft een mededeling me meer rust bezorgd dan dit nieuws.’ Het is de prijs die hoort bij dat zo zeldzame olympische succes. Marleen Veldhuis betaalt die bonus graag. ‘Hier zie je ook weer het grote voordeel moeder te zijn. We mogen helemaal niet klagen met Hannah, maar ook zij heeft ons weleens wakker gehuild. Je gaat het belang van voldoende nachtrust minder overschatten.’ Dat wil niet zeggen dat ze juist nu met trainingsweken van twintig uur heel goed de verhouding tussen arbeid en rust in de gaten moet houden, een veelal onderschat fenomeen in de topsport. Al helemaal bij buitenstaanders. Daar komt een zwakke eigenschap van de sportvrouw boven water. Gretigheid en discipline winnen het soms van het nuchtere verstand dat wel beter weet. ‘Ik richt me op de olympische sprintnummers. Daarbij gaat het dus eerder om kwaliteit dan kwantiteit. Het kost mij moeite de verhouding tussen rust en arbeid goed te doseren. Mijn trainer (Jacco Verhaeren) houdt me goed in de gaten, maar je kent je eigen lichaam natuurlijk het beste. Het evenwicht weegt nog zwaarder nu ik de zorg heb voor de kleine. Bovendien ben ik gemiddeld tien jaar ouder dan de meeste andere concurrenten. Het is me overkomen dat ik te hard trainde, waardoor resultaten tegenvielen. Dat mag me niet meer overkomen.’
Een simpele wet op de Olympus, slechts toegankelijk voor uitverkorenen luidt: Alles of niets. ‘Dat klopt’, zegt Marleen Veldhuis, ‘en daarom moet je hard zijn voor jezelf en ook ‘neen’ kunnen zeggen tegen anderen.’ Het wordt soms uitgelegd als egoïsme, maar zo zou ze zichzelf wel in de allerlaatste plaats willen karakteriseren: egoïstisch. Je zult haar nooit horen vloeken of schelden, teleurstelling afreageren op anderen. ‘Ik ben sowieso nogal conflictmijdend.’ Ze kan niet ontkennen dat vrouwelijke toppers elkaar soms minder gunnen dan mannen. Dat ondervond ze o.a. in de jaren dat ze aan waterpolo deed, en zelfs nog even deel uitmaakte van de nationale selectie. Vooral op clubniveau leidde die afgunst (hoe moet je het anders noemen) tot onverkwikkelijke taferelen. ‘Ik heb meegemaakt dat een coach iemand had aangewezen om te spioneren in de kleedkamer.’ Echt waar. Het is, benadrukt Veldhuis, nooit de reden geweest definitief te kiezen voor het individuele zwemmen. ‘Mijn beste vriendinnen komen uit het waterpolo. Zwemmen zou ik wel een sociale sport willen noemen. Liever, maar beslist niet te verwarren met soft.’ Misschien mooier ook in esthetisch opzicht. Voor de liefhebber is het een genot voor het oog de techniek slowmotion te bestuderen. ‘Met dat esthetische ben ik altijd bezig. Hoe je techniek nog iets meer te perfectioneren.’
Zo heeft Marleen Veldhuis het pad ingeslagen dat moet leiden naar optimaal resultaat. Voorop staat individueel succes, maar dan volgt heel snel de estafette, de 4 x 100 meter vrije slag. Waarop Nederland in Londen de olympische titel verdedigt. Alleen de echte insiders, degenen die begrijpen hoe groot zwemmen is internationaal, en de concurrentie navenant moordend, kunnen dat goud op de juiste waarde schatten. Ieder jaar staan de kampioenen er zelf tenminste één keer bij stil. ‘Op 10 augustus (de dag van de olympische finale in Beijing) sturen we elkaar een berichtje. En we hebben afgesproken om over vijftig jaar een keer gezamenlijk op vakantie te gaan.’ Maar nu nog even staat alles in het teken van resultaat in Londen, 2012.

Een aantal teksten:

’Nelli Cooman: Vaatje Buskruit’, een fragment uit het fotoboek van Fjodor Buis (Alias), waarin sporters op unieke wijze zijn afgebeeld met een knipoog naar hun bijnaam.

’Sorry, sorry, sorry!’, Dit verhaal werd gepubliceerd in het literaire tijdschrift 42.

’Griepgekte’.

’Loop naar het graf van ‘mijn’ tante Foekje’, verhaal in ’Runner’s World’, 2008

’Tijd heelt niet alle wonden’

Weeklog de Volkskrant

Piet Oudolf Tekst: ’Zonder twijfel atlete van de eeuw’ | |