Teksten





Terug naar ’Teksten’...



Onderstaand verhaal schreef ik in 2008 voor Runner’s World:

Loop naar het graf van ‘mijn’ tante Foekje



‘Nog gecondoleerd met je tante.’ De woorden werden (door een kennis) uitgesproken met een mengeling van medeleven en distantie, zoals je mag verwachten na de dood van een familielid, dierbaar maar niet iemand met wie je dagelijks te maken had. Foekje Dillema was helemaal geen familie van me. Ze kwam wel heel dichtbij, letterlijk en figuurlijk door de seksetest in 1950 die ik in mijn biografie over het leven van ‘atlete van de eeuw’ Fanny Blankers-Koen omschreef als een van de grootste schandalen uit de sportgeschiedenis, en na mijn verhuizing naar Ee, een dorpje hemelsbreed nog geen tiental kilometer verwijderd van Foekjes Burum op de grens van Groningen en Friesland.
Van de een op de andere dag was ze halverwege de vorige eeuw verdwenen van de sportpagina’s, een Friese sprintsensatie, wonder op twee, weliswaar zeer gespierde, benen. Vandaag, 25 april 2008, ruim vier maanden na haar overlijden, is het de dag van haar eerherstel. Kollum, een voormalig vissersdorp waarin Foekje Dillema haar laatste jaren doorbracht in het plaatselijke bejaardencentrum, organiseert een stratenloop. De langste afstand, ruim dertien kilometer, voert langs de begraafplaats in Burum. Daar zal een bestuurder van de Nederlandse Atletiekunie (Rien van Haperen) schuldbelijdenis doen ten aanschouwen van familie en de provinciale tv-omroep door een krans te leggen op haar groeve.

Neef en naamgenoot Foeke Dillema zal het startschot lossen. Hij is buschauffeur van professie en is getuige zijn postuur waarvan de contouren wijzen op een Bourgondische instelling de loopsport niet toegewijd, althans niet actief. De Voorstraat popelt om de actievelingen die op zijn signaal mogen vertrekken, te verwelkomen en aan te moedigen. De meeste dragen het T-shirt waarop de favoriete foto staat afgebeeld van zijn tante, in afwachtende starthouding. Beetje mannelijk voorkomen inderdaad, maar dat gold en geldt voor wel meer uitblinksters in de sport, waar de hoeveelheid mannelijk testosteron in de genen het verschil mede doet bepalen tussen top en subtop.
Hij is zijn lievelingstante steeds beter gaan begrijpen, naarmate ze ouder werd. Een op het eerste oog stuurse, nukkige vrouw die bij het onvermijdelijke naderen van de laatste levensfase bozer werd om wat haar overkomen was als jong meisje. Ze ging vaker met voorwerpen gooien naar de televisie, wanneer Fanny Blankers-Koen erop verscheen. Volgens Geesje Jorna, voormalig atlete die haar weleens opzocht in het bejaardenhuis had ze bij de dood van haar rivale in 2004 de schouders opgehaald, terwijl ze zei: ‘Ben ik haar weer een keer voor gebleven.’
Maar ze was toch in de eerste plaats lief, dat moeten we van Foeke geloven. Als jongetje zat hij regelmatig op de bagagedrager van haar brommer bij tochten waarbij de natuur meestal het reisdoel was. Verrekijker bij de hand. De kleine Foeke had aanvankelijk geen idee welk vreselijk geheim zijn tante meedroeg. Leeftijdgenootjes riepen hem weleens genadeloze woorden na waarvan hij de reikwijdte niet begrijpen kon. Je tante is een kwee!

Waar anno 2008 doping de molensteen is die de sport ten onder dreigt doen gaan, en iedereen bijna iedereen beschuldigt, te pas en te onpas, zo werden sportvrouwen halverwege de vorige eeuw ongegeneerd nagewezen. Pierre de Coubertain, de (Frans)man die de Olympische Spelen nieuw leven inblies maakte er geen geheim van dat hij vrouwen het liefst zag op tribunes, eventueel in de rol van gastvrouw. Sport was zijns inziens alleen bestemd voor het mannelijke geslacht. Zelfs viervoudig gouden Fanny (1948, Londen) werd door sommige concurrentes ervan verdacht (vanwege haar zeer gespierde benen) man te zijn, hoewel ze toch beschikte over de sterkste bewijsstukken die het tegendeel bewezen, namelijk twee kinderen, een jongen en een meisje.
Zo fortuinlijk was Foekje Dillema niet. Ze had de legendarische radioreportages uit Londen gehoord van Peter Knegjens die over het vermogen beschikte om op woorden favorieten naar de finish te dragen. Ongelooflijk! Het Friezinnetje droomde ervan in de voetsporen te treden van de Olympisch kampioene die woonde in het wereldse Amsterdam, onvergelijkbaar met een dorpje als het hare. Ze kocht het boek waarin de prestaties van haar heldin beschreven werden door Klaas Peereboom en schreef er in kloeke letters haar eigen naam in: Foekje Dillema, 18 november 1948.

Allemachtig, wat kon het meisje hard lopen. De journalisten die haar voor het eerst aan het werk zagen, geloofden hun ogen niet. ‘Geen gracieus sportfiguurtje’, meldt verslaggever Wedema over de nieuwe aanwinst, ‘het kon even goed een ferme Friese jongen wezen. Maar kracht heeft ze, en lópen kan ze.’ Foekje, een turnster van origine, laat dapper weten dat ze nummer één wil worden. Ze is een sportdier, net als haar grote voorbeeld. Wedema onderkent de gevolgen. ‘De sport is mooi. Ook omdat dit dorpsmeisje straks wellicht kansen krijgt tot het zien van andere landen, tot het ontmoeten van andere mensen. Kansen die haar anders nooit of te nimmer geboden zouden zijn.’
De sport is mooi, maar kan ook schofterig meedogenloos zijn. Als Foekje Dillema, a big girl with a long stride, ook internationaal begint door te breken wordt een lobby om in eigen land ‘een stoer Friezinnetje’ een halt toe te roepen steeds sterker. Voor mijn biografie over Fanny Blankers-Koen (Een koningin met mannenbenen) spreek ik met betrokkenen die ervan overtuigd zijn dat Dillema koste wat het kost moest verdwijnen van het toneel. Trainer/echtgenoot Jan Blankers zou hier de kwade genius zijn. Ans Hofmeester, een van de atletes die werd opgeroepen voor een seksetest in een Haags ziekenhuis zei decennia later: ‘Het was schofterig. Ze hebben haar gewoon willen pakken. En je kon haar moeilijk alleen op de gynaecologische stoel zetten. Wij werden gebruikt als alibi. Wat ik na al die jaren nog steeds niet snap, is hoe ze de artsen voor hun karretje hebben weten te spannen.’

Wie was Foekje Dillema? Ik vraag het tijdens de Kollumer Katloop aan twee jonge voetballertjes van wie een het shirt draagt met de afbeelding van de onfortuinlijke Friezin. Ze dromen van glorieuze, liefst betaalde topprestaties, net zoals de postume hoofdrolspeelster van vandaag dat lang geleden deed in haar sport. ‘Een atlete van vroeger’, stamelen ze na enig aandringen. Vol bewondering horen ze het verhaal van een vrouw die er volgens overlevering niet voor terugdeinsde van Leeuwarden naar Burum lopend af te leggen, wanneer ze de trein had gemist op de terugweg van een centrale training, algauw vijftig kilometer.
De voetballertjes hebben zich vandaag ingeschreven voor de kortste afstand, bijna zeven kilometer. Een deelnemer aan de langste afstand, Bert Bor, kan zoals veel lopers aangemoedigd door de cadans van hun eigen ritme onderweg sneller kunnen denken, kernachtig samenvatten wat kwalen en kwaden zijn van alle tijden: geld en macht. ‘Wat is het tragisch dat we straks ter ere lopen langs een graf van een vrouw die daar geen weet meer van hebben kan. En die zich haar hele leven heeft moeten verstoppen’, hoor ik mezelf even later zeggen boven het geluid van voortsnellende voetstappen op het asfalt temidden van platteland in lentetooi.
Bert Bor heeft net zijn marathondebuut achter de rug, geheel onverwacht. Hij kreeg het startbewijs van een kennis die verhinderd was. 4.28 liep hij, ‘en het was niet eens zwaar!’ Zijn geheimen wil hij graag delen: bij iedere verversingspost even stoppen en natuurlijk drinken, en wat ook erg belangrijk is, zoek een lotgenoot die wèl wil praten tijdens de wedstrijd. Vooral het laatste is moeilijk te bewerkstelligen. ‘Prachtig’, zegt hij over het landschap waarover het parkoers van de herdenkingsloop voert. Schuldig landschap. Prachtig en o wat treurig is de aanleiding.

Volgens Foeke Dillema putte zijn tante veel troost uit de natuur. Toen zij, door toenmalige atletiekbestuurders gedegradeerd tot onmens terugkeerde in haar vertrouwde omgeving, heeft zij zich lange tijd niet durven vertonen overdag. De neef heeft het van horen zeggen. Zijn vader, een jongere broer van Foekje, heeft er nooit één woord over willen reppen. Zo groot was de vernedering. Foeke Dillema beschikt over foto’s waarop zijn tante te zien is bij een uitvoering van de plaatselijke gymnastiekvereniging. Het is een meisje, daarover kan geen enkel misverstand bestaan. Ja, ze heeft zich een leven lang verstopt. Dat kun je wel zeggen.
‘We gingen alleen wat drinken onderweg, als er geen andere bezoekers waren op het terras. En kwamen die later, onverhoopt, dan trok tante Foekje haar sjaaltje wat strakker om haar hoofd.’ Haar lijf verborg ze achter mannelijke kleding, afdankertjes volgens neef Foeke. Pas in het bejaardenhuis ging zij zich vrouwelijk kleden en permitteerde zich regelmatig bezoek aan de kapsalon.
Ze wilde vergeten door hard te werken: schoonmaken bij mensen thuis. Brute kracht die zij graag had willen omzetten in snelheid was haar handelsmerk. Foekje tilde met gemak een gasfornuis op in haar eentje. Ze werd ook trainster bij de plaatselijke gymnastiekvereniging DES, Door Eendracht Sterk. De buitenwereld bekeek zij vooral vanaf het televisiescherm, een bezienswaardigheid in die jaren. Zij was een van de eersten in het dorp met een eigen scherm. Onafhankelijkheid (hoewel ze haar ouders tot hun dood bleef verzorgen) werd haar levensmotto, uit nood geboren. Zo snel mogelijk behaalde zij het rijbewijs en kocht, genoeg gespaard, een tweedehands auto.
Foekje Dillema werd, hoe ouder ze werd, steeds wantrouwender. Daarin vertonen zij en Fanny Blankers-Koen grote overeenkomsten. Op haar oude dag moest de gevallen Friezin nog de vernedering verwerken van een tv-journalist die haar in Burum een microfoon voorhield met de vraag: Ze zeggen dat u een man bent. Met de flegmatiek van een zwaargewonde ketste ze de bal terug: Ze zeggen zo veel. Mijn schriftelijke poging om haar te spreken werd beantwoord met een vriendelijke doch besliste weigering. Het afschuwelijke verleden had wat haar betreft maar één geschikte plek: het graf.
Friso Endt, toenmalig sportjournalist onthulde na haar dood in de sinterklaasnacht van 2007 dat Fanny op verzoek van haar man en trainer (en gezaghebbend journalist) een keer had staan gluren, terwijl Foekje onder de douche stond. Erover schrijven mocht niet van Klaas Peereboom, chef en auteur van het boek dat de inspiratiebron was om vanuit Friesland de wereld te bestormen. ‘Ze dacht’, aldus wordt Peereboom geciteerd in Het Parool, ‘misschien een pikkie te ontwaren, heel misschien. Daar is ze absoluut niet zeker van. Ik vind het een afschuwelijke zaak, want Jan (Blankers) heeft ook aan Fanny gezegd dat hij ervoor zou zorgen dat Foekje van de banen zou verdwijnen. En dat is ook gebeurd!’ Erover berichten stond gelijk aan schrijven over zelfmoord. Dat deed je niet. Toen.

Voor zover er nog twijfels bestonden over het vrouw-zijn van tante Foekje verdwenen die bij het wassen en toebereiden van lichaam voor de eeuwige slaap. Hoe hij dat zo zeker weet, kan Foeke Dillema niet vertellen. Maar hij weet het heel zeker. Daar werd een vrouw gedragen naar haar laatste rustplaats. De vrouwelijke dominee vertelde het nog maar eens: ze heeft haar leven lang geleden onder de diskwalificatie. Boven haar kist hingen de ringen die bij leven niet gegund waren. Dat kan geen toeval zijn. Uit een simpele cassetterecorder klonk toepasselijke muziek voor een in de knop gebroken leven waarin eenvoud troost moest en kon bieden: In het stille dal, in het groene dal waar kleine bloempjes bloeien.
Ruim vier maanden later onderbreek ik mijn prestatieloop en onderstreep mijn kleine aandeel in de rehabilitatie van tante Foekje door stil te staan bij haar graf. Ontroerd lees ik het opschrift: Haar werk, haar interesse voor het leven, haar moed zo sterk, ze heeft er alles voor gegeven.
Zo verlies ik graag 2 minuten en 39 seconden op mijn eindtijd.


Kees Kooman • Tibsterwei 15 • 9131 EH Ee • keekoo@planet.nl