Weeklog

In november 2006 hield ik voor de Volkskrant een weeklog bij tijdens de wereldkampioenschappen volleybal (vrouwen). De ploeg van Avital Selinger heb ik een paar jaar ‘van binnenuit’ gevolgd, belevenissen die zijn opgetekend in het boek ‘Als je wint heb je vrienden’, dat in 2008 werd uitgegeven door Tirion.


vrijdag 10 november 2006
Als ik wakker word, vind ik een geheimzinnige notitie op het nachtkastje van postzegelformaat. ’Verliezen kan betekenen dat je toch gewonnen hebt.’ Dit moet de vrucht zijn van een nachtelijke opwelling, want ik herken mijn eigen handschrift. Ik moet er even over nadenken. Het omgekeerde geldt in ieder geval zeker, wat mij betreft, in ontwaakte toestand.
De sportwereld kent alleen maar winnaar of verliezers, alle varianten daar tussenin verblijven in niemandsland. Ik merk dat het me steeds zwaarder valt om me daaraan te conformeren. Om deze reden heb ik een enorme hekel aan voetbal gekregen. De kleine lichamelijke ongemakken die mij parten spelen in de sporthal van Osaka schrijf ik voor een groot gedeelte toe aan de ergernissen omtrent het oranje getinte opportunisme. Je kunt je er maar moeilijk aan onttrekken.

Dit is zeker: ik zou nooit aan een boek zijn begonnen over, laten we zeggen de hockeyvrouwen of de voetbalmannen van Marco van Basten, al zou ik alle ruimte van de wereld krijgen. Veel te gemakkelijke opdracht. De keuze voor het volleybal heeft in de eerste plaats te maken met het leiderschap van Avital Selinger, een man die angst inboezemt bij velen, zoals dat ook het geval was bij zijn vader, voormalig bondscoach van de heren. Ik denk dat hier angst met ontzag wordt verward. Selinger junior is een volkomen authentieke man die zwijgt wanneer hij niets te zeggen heeft en zelf de kraan wijdopen zet bij zijn spraakwatervallen, niet voor iedereen even gemakkelijk te begrijpen.
Een kind kan zien dat deze ploeg op het WK in Japan nog niet in balans is, er sprake is van nog te grote wisselvalligheid. Mirjam Orsel sprak in de wandelgangen van de immense sportaccommodatie (na het pak slaag door de Russinnen) van magie, een mooie vergelijking. De grote act zal niet, als het goed is, vóór 2008 worden opgevoerd en misschien zelfs wel pas in 2012.

Ik geef mijzelf over aan een geruststellende duurloop naar de haven van Kobe. Zullen de voorbijgangers het vreemd vinden: een man in korte broek die blijkbaar haast heeft om zijn doel te bereiken? Aan de waterkant staat iemand met een golfstick tegen een onzichtbare bal te slaan, een bandje speelt hartverscheurend vals en ik zie zelfs een man ongegeneerd in de Japanse Zee urineren. Het is behaaglijk warm, een graad of 23. Ik vind het leven prachtig.
.

donderdag 9 november 2006
Niets is zeker op het hoogste volleybalniveau, net trouwens als in het leven buiten de sporthal. Het ene moment verkeer je in een overwinningsroes, en nog geen tien minuten later kijk je magere Hein diep in de ogen, symbolisch uiteraard. Misschien is volleybal wel de mooiste metafoor van het leven met alle onvoorspelbaarheid van dien.
Zal het daarom zijn dat de beoefenaars van deze balsport elkaar oneindig vaak betasten na een wel of niet geslaagde rally, al is het maar even in de vorm van een tikje op schouder of billen? Ze zoeken letterlijk houvast in de achtbaan van emoties waar hoop, vrees en twijfel elkaar in een krankzinnig tempo afwisselen voordat eindelijk zekerheid wordt verkregen.
Na de bloedstollende wedstrijd tegen Duitsland (16-14 in de vijfde set na een achterstand van 5-11) is Manon Flier ontroostbaar. Chaine Staelens die zelf eerder met een vormcrisis kampte maar nu de grote uitblinkster is, slaat een arm om haar schouder en spreekt bemoedigende woorden. Maar wat moet je zeggen tegen een sportvrouw die van het een op het andere moment haar zelfvertrouwen verliest? Dit is een ploeg in opbouw, alles kan gebeuren.

Arme journalisten die over de waan van de dag schriftelijk moeten rapporteren. Nog geen etmaal nadat een kritische beschouwing rijp is voor de aardappelschillen worden zij geacht een hoge oranje muts op te zetten en moeten conclusies van gisteren een pirouette draaien van 180 graden. Alles kan bij dit WK in Japan.
Over raakbaarheid en onbegrensde mogelijkheden gesproken: zie ik op weg naar de veilige beschutting van mijn hotel een uithangbord met love-hotel? Met versnelde pas en verhoogde energie ga ik uit op onderzoek in Kobe. Buitenlandse bezoekers zijn hier welkom, maar ze moeten robuuste oordoppen meenemen. Deze hotels zijn in de eerste plaats bestemd voor Japanse liefdesparen die zich ongeremd willen overgeven aan de daad waarop het voortbestaan van de mensheid berust.
En dat doen ze, volgens oorgetuigen, vol overgave. In hun eigen madurodamhuisjes ontbreekt er vaak gelegenheid voor.
Toeristen die in staat van opwinding verkeren, moeten trouwens erg oppassen om niet in de verkeerde etablissementen te belanden. Je betaalt er met gemak 200 euro voor een biertje en wordt alleen maar financieel uitgekleed. Dan maar liever de opwinding van – zoals de in Japan werkzame handbaltrainer Bert Bouwer het noemt – de angststress die hoort bij kijken naar topvolleybal.


woensdag 8 november 2006
Even een dagje naar Parijs op en neer met de trein vanuit Amsterdam - een zinnig mens zal er niet snel aan beginnen. Niet ongewoon daarentegen is het om je aan een dagretour Kobe-Tokio te wagen, reisavontuur van in totaal 1100 kilometer. De enkele rit neemt ongeveer drie uur in beslag, dankzij Japan Rail (JR) en vooral dankzij de shinkansen, de kogeltrein die gemakkelijk de 240 kilometer per uur haalt.
Het is een sensatie, waarbij vergeleken de tocht Leeuwarden-Amsterdam in de postkoets wordt overbrugd, zeker met ingang van het nieuwe dienstrooster van de NS. Lang leve de VOC-vooruitgang!
Net zoals de meeste Japanners doen tijdens het comfortabele reizen, val ik onderweg in slaap - reizigers hoeven zich hier niet te bekommeren om zakkenrollers en tasjesdieven - en ik droom van de feestelijke opening van de Zuiderzeelijn. Peijs en Beatrix knippen gezamenlijk een groot lint door. Als ik wakker schiet, rijdt het snelheidsmonster het station van Tokio binnen. Op perron 6 staat Mara Yamauchi te wachten, een Engelse atlete die zich in dit land voorbereidt op de Olympische Spelen van Beijing. Zo gek is dat niet met de wetenschap van twee keer olympisch goud in successie (Sydney en Athene) voor Japanse vrouwen en de WK atletiek in Osaka (2007) in het vooruitzicht.

Mara Yamauchi is gehuwd met een Japanner, spreekt de taal vloeiend en houdt zich mede daardoor gemakkelijk staande in de mensenoceaan die deze wereldstad op bijna alle tijdstippen van de dag is. Ik spreek haar voor een verhaal in een Nederlands loopblad.
Wat haar het meeste tegenstaat, is een typisch Nederlandse (negatieve) vraag. Eerlijk gezegd wordt ze wel eens moe van alle beleefdheidsvormen die zo eigen zijn aan deze cultuur en waardoor vriendschap een weg van de lange adem is. En ze moet al zoveel kilometers maken. Zo moet je bijvoorbeeld weten dat je bij privébezoek natuurlijk niet alleen bij het betreden van de woning je schoenen uittrekt, maar bij een eventuele toiletgang ook weer van andere slippers gebruik maakt. Overtreding van de regel is een schande.
Op de terugweg uit Tokio sta ik in de metro mijn zitplaats af aan een oudere dame. Vlak voordat zij uitstapt, opent ze haar tas waaruit ze twee snoepjes tevoorschijn haalt. De overhandiging gaat gepaard met een stortvloed van woorden en een lach, half verscholen achter haar hand. Ik maak een diepe buiging.


dinsdag 7 november 2006
In een zijstraatje van de uitgaanswijk Sannomiya zitten drie heren van middelbare leeftijd doodgemoedereerd met de ontblote voeten in wat op een grote wasbak lijkt. Het water, bij nadere inspectie behaaglijk warm, is afkomstig uit een van de vele duizenden warmwaterbronnen. Japan bestaat voor tachtig procent uit onbewoonbare natuur van veelal vulkanische oorsprong. Vanuit de openluchtbadkamer zie je de jeugd van Kobe flaneren en hun kledij lijkt in niets op de schooluniformen die zo karakteristiek lijken voor dit land.
Technisch directeur Charles van Commenée (NOC*NSF) die lang in Groot-Brittannië heeft gewerkt en even is overgekomen om de volleybalvrouwen van Avital Selinger aan het werk te zien, legt me uit wat de functie is van de eenduidige dresscode. Alle standsverschillen vallen weg: zonen en dochters van bakkers, bankiers en slagers zijn in één klap gelijk op school.
We spreken bijna gelijktijdig onze sympathie uit over de prettige omgangsvormen van Japan. Geen geschreeuw op straat, zacht, beheerst gemompel in de overal aanwezige mobiele telefoons, zeker geen oorverdovend geschetter uit dvd-spelers. En die ene toeterende automobilist wordt door iedereen verontwaardigd nagekeken.

Op kantoren schijnt het er ook zo gedisciplineerd aan toe te gaan, eventuele frustraties worden ’s avonds in het café met veel alcohol weggespoeld of er is de beschikking over een schietschijf met de afbeelding van een tiranniserende chef. Altijd blijven lachen en buigen, dames en heren.
De vriendelijkheid van winkelpersoneel kent geen grenzen, een fooi - klein of groot - wordt als een belediging beschouwd. Het lijkt wel of de bouwvakkers op de steigers over hamers van rubber beschikken, de grote transistorradio’s - zo eigen voor Nederlandse werknemers in de buitenlucht, altijd de volumeknop op maximaal - zijn hier afwezig.
Bij treinen en metro’s wacht iedereen keurig op zijn beurt, niemand waagt het om zijn schoenen op de tegenoverliggende bank te plaatsen, inmiddels een volkomen vanzelfsprekende Nederlandse gewoonte. Op elf uur vliegen van onze heilstaat, blijkt hoever de verloedering is doorgevoerd. Japanners begrijpen het: iedereen wil privacy, maar het moet wel een wederzijds recht blijven.


maandag 6 november 2006
Een wereldreiziger mag niet huilen, en hij moet in de eerste plaats solvabel zijn. Op dus met je trouwste kameraad, de creditcard, naar de dichtstbijzijnde geldautomaat. Behulpzaam hotelpersoneel dat geen woord Engels spreekt, wijst je vlekkeloos de verkeerde kant op.
Het is moeilijk om je te oriënteren in een stad die voor jou alleen maar geheimtekens bevat, een oceaan van boodschappen in het Japans die de koopbereidheid moet verhogen. En je duwt maar weer, door een milde vorm van wanhoop bevangen, een kaartje met de richtingaanwijzingen onder de neus van een van de zeer vele voorbijgangers.
Dàn, eindelijk, is het doel bereikt. De door het hotel aanbevolen geldmachine waarnaar je reikhalzend hebt uitgekeken, blijkt een wisselkantoortje. In de piepkleine ruimte wachten een lokettiste en haar chef vol ongeduld op klanten, de meerdere als in een treincoupé nog geen meter achter de minste in rang. Hij heeft een eigen bureau.

Werkloosheid bestaat niet of nauwelijks in Japan, maar dat voorrecht lijkt toch vooral een gevolg van een bijna lachwekkend oog voor het detail. Het verkeer wordt op cruciale kruispunten geregeld door een leger van overheidsdienaren die veel weg hebben van brandweerlieden met gummiknuppels. Overtollig winkelpersoneel rukt regelmatig met stoffer en blik uit om een propje, kruimeltje of per ongeluk achtergelaten sigarettenpeuk haastig van het trottoir te verwijderen.Ook heb ik nog nooit zoveel mensen tegelijkertijd ramen zien lappen, waarop mijns inziens geen vlekje te bekennen was. Zij knikken vriendelijk naar de buitenlandse passant.
Arbeid adelt, alle dagen van de week. Als de geldautomaat, een zeldzaamheid in het straatbeeld (Japanners regelen hun geldzaken op het postkantoor of thuis via internet) tenslotte toch gevonden is maar de creditcard telkens uitspuugt, moet het wisselkantoor uitkomst bieden. De klant wordt als een oude bekende verwelkomd, alleen moet hij wel begrijpen dat wisselen zonder paspoort onmogelijk is in Japan. Naam, hotel, bedrag, coupures, alle paspoortgegevens mogen niet ontsnappen aan de vergetelheid.
Zeventig euro, mijn laatste contante geld, is gelijk aan 10.150 Yen. Tien kraaknieuwe biljetten worden op een blauw dienblaadje overhandigd, niet voordat de belangrijkste bankbediende in rang alle handelingen van zijn ondergeschikte heeft gecontroleerd. Naast de smetteloze biljetten ligt een pakje papieren zakdoeken, doekje voor het bloeden.
.

maandag 6 november 2006
Vlakbij Tor Road, een weg die dwars door Kobe snijdt, is een parkje waar vanmorgen een aantal uiteenlopende geluiden om voorrang strijdt. In de aangrenzende Shinto–tempel van de kleine oase is een huwelijksplechtigheid gaande.
Dat is lopende bandwerk in het overbevolkte Japan, zeker in dit gedeelte van het land waar het merendeel van de 127 miljoen inwoners op elkaar gepropt het dagelijkse leven deelt. Een van de priesters slaat op de grote trom, begeleid door een blokfluitspeler en op hemelsbreed nog geen 200 meter afstand wordt het fundament gelegd voor wat het hoogste gebouw moet worden van deze stad. Vogels verdedigen vol overgave hun beperkte territorium door zo luid mogelijk te zingen, maar bovenal imponeert het rustgevende geklater van een watervalletje onder de eeuwenoude bomen.
Toen ik voor de eerste keer belandde in deze kleine hemel op aarde kon ik mijn ontroering nauwelijks bedwingen. Ik vond het nogal raar dat ik hier in deze miljoenenstad die mij vooraf enige angst had ingeboezemd tranen in de ogen kreeg.
Was het vanwege de zich van niets aantrekkende natuur, eeuwige triomfator in de kakefonie van menselijke geluiden, waren het de eenvoudige rituelen in de tempel waar gelovigen met een serene uitdrukking op het gelaat een bel deden luiden door aan een stevig touw te trekken?
Of was het misschien toch vooral de invloed van de jetlag, een zeer werelds gevolg van reizen in de supersnelle vliegmachines van deze eeuw? Het tijdverschil van
acht uur kan maar moeilijk bestreden worden met melatonine, synthetische slaappillen of tomatensap, volgens zeggen het wondermiddel van moderne reizigers.
Zelfs het allerbeste medicijn, een half uurtje hardlopen naar de haven van Kobe en terug, mist deze keer zijn uitwerking grotendeels. Neen, lichaam en geest verkeren nog niet in harmonie. Het ligt beslist niet aan het decor, tot dusver een aangename verrassing voor iemand die zich had voorgenomen dit deel van de wereld een leven lang te mijden. Kopieergedrag, massaliteit, propvolle metro’s tijdens de spitsuren, kamikazepiloten– het leken me stuk voor stuk aanbevelingen om hier weg te blijven.

Domme vooroordelen en cliché’s, gelukkig maar dat het lot je er zomaar van verlossen kan. Ik ben hier voor het WK volleybal voor vrouwen, met voetbal de meest beoefende sport ter wereld. Zeg nooit ’dames’ bij vrouwen die hun mannetje moeten staan. Ik schrijf voor uitgever Tirion een boek over het traject van de Nederlandse volleybalvrouwen op weg naar de Olympische Spelen van Beijing (2008), een bochtig parkoers vol valkuilen. Maar ik geloof heilig in deze ploeg en haar leidsman, Avital Selinger, een man gehard in de kibboets, het Israëlische leger en niet te vergeten de ooit zo succesvolle Nederlandse mannenploeg. Hij vergelijkt zijn sport - kunst die intelligentie, intuïtie en een onvoorstelbare hoeveelheid kracht, techniek en flexibiliteit vergt - graag met oorlogsvoering. Daar horen trainingsweken bij van dertig uur, onvoorwaardelijke toewijding die lijkt op de wijze waarop in het verleden strijders het slagveld betraden.
Kees Kooman • Tibsterwei 15 • 9131 EH Ee • keekoo@planet.nl